Oral History Project Breda

 

In 2009 informeerde een medewerker van het Stadsarchief Breda naar de mogelijkheden om oudere bezoekers tijdens de landelijke archiefdag te interviewen ten behoeve van een rechtstreekse (lokale) televisie uitzending. Gezien de beperkte technische en financiële middelen die ons ter beschikking stonden, stelde ik voor de interviews vooraf op te nemen en dan later in gemonteerde vorm te presenteren onder de naam ‘Oral History Project Breda’.

De eerste gesprekken gingen vooral over het dagelijks leven tijdens de crisisjaren en de daaropvolgende bezettingsperiode. In 2010 werd een tweede serie interviews opgenomen met repatrianten uit Nederlands Indië en in de periode september tot en met november 2011 volgde nog een derde serie van 52 interviews, waarin ook thema’s als cultuur, religie en verzet aan de orde kwamen.

Het doel dat mij voor ogen stond, was niet zozeer om de recente geschiedenis vast te leggen aan de hand van ooggetuigenverslagen, maar meer om met de persoonlijk ervaringen van direct betrokkenen het beeld van de historische werkelijkheid verder in te kleuren. Persoonlijke herinneringen aan bijvoorbeeld de vlucht uit Breda in mei 1940, de hulp aan Joodse onderduikers, de bevrijding van de stad door de Polen, aan de kunst, de muziek, het tweede Vaticaans concilie of de komst van Indische Nederlanders in de naoorlogse jaren.

Door te luisteren en vooral ook te kijken naar de mensen die het hebben meegemaakt, komt het verleden steeds dichterbij. Het wordt een levende geschiedenis, die uitnodigt tot reflectie. Hoe zou ik dat gedaan hebben in die omstandigheden en is er eigenlijk wel zo veel wezenlijks veranderd als we onze smart phones en iPads even wegdenken.

Wat mij tijdens de gesprekken opviel, is dat er eigenlijk niet zoiets bestaat als een gestold verleden. De afstand tussen toen en nu vervaagd waar je bij staat en bovendien wordt de historische werkelijkheid (als die al zou bestaan) telkens van een andere zijde belicht.

Er bestaat geen eenduidigheid. Het geheugen van een stad is net zo pluriform als het leven zelf. En dat is dan ook precies de reden dat het zo waardevol is. Natuurlijk we kunnen er van leren. Maar dat hoeft niet per se. Het belangrijkste is dat we onszelf er in herkennen en dat we er ons op een of andere manier mee kunnen versterken. Het verleden als referentiepunt voor het heden.

 

Overzicht (in alfabetische volgorde) van de geïnterviewde personen:

Ietje Anakotta (1942) is de dochter van een Molukse KNIL sergeant. Het gezin Anakotta kwam in 1963 naar Breda. Vader ging werken bij bierbrouwerij de Drie Hoefijzers en Ietje zette zich in voor de sociale en culturele ontwikkeling van de Wijk De Driesprong. Ze was betrokken bij talloze activiteiten onder andere in Buurthuis Toma (nu Batu Karang) en werd in 2013 als enige inwoner van Breda uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de inhuldiging van Koning Willem Alexander in de Nieuwe kerk te Amsterdam.

Gerrit Baelemans (1920-2016) groeide op in een arbeidersgezin in Breda West en meldde zich in 1938 aan als vrijwilliger bij het KNIL. Ruim 10 jaar bleef hij in Nederlands-Indië, waar hij vanaf 1947 een opleiding volgde aan de sportacademie. In 1949 keerde hij terug naar Breda en nog datzelfde jaar trouwde hij met Puck Nikkels, die hij in Indië had leren kennen. Hij werkte later als sportleraar op de KMA.

Pater Winfried van den Berg (1930-2013) groeide op als negende kind van een gezin van dertien aan de Dreef in Princenhage. Op zijn 12e ging hij studeren bij de paters Kapucijnen aan het kleinseminarie in Langeweg. In 1949 trad hij in als Novice. Hij studeerde filosofie en theologie in Helmond en Udenhout en werkte na zijn priesterwijding in 1956 anderhalf jaar in een opvangkamp voor vluchtelingen in Hamburg. In 1958 vertrok hij naar Chili om in het bisdom Osorno een parochie te leiden. Hij zou er ruim 42 jaar blijven. Van groot belang was de oprichting van een eigen radiozender ‘La Voz de la Costa’ met onderwijsprogramma’s (tele-education). De zender werd een spreekbuis voor een ieder die zich verzette tegen het generaalsregime van Augusto Pinochet. Van den Berg moest zich meerdere malen verantwoorden voor militaire rechtbanken, maar bleef altijd een overtuigd vertegenwoordiger van de bevrijdingstheologie en een bevlogen pleitbezorger van de mensenrechten.

Jean Bergé (1922-2013), verzamelaar van historische foto’s, prenten en kaarten, was in 1953 één van de oprichters van de Heemkundige kring Breda. Hij verwierf naam als (mede) auteur van verschillende historische monografieën en artikelen. In de jaren zeventig was hij lid van de Stedenbouwkundige Adviesraad. Bergé was vooral bekend vanwege zijn herenmodezaak op de Haagdijk.

Jacques Braat (1920-2016) woonde aan de Bernhardsingel. In de jaren dertig ging hij studeren aan de MTS in Den Bosch en later in Rotterdam. Tijdens de oorlog trad hij in dienst als radiomonteur bij de firma ETRA aan de Ginnekenweg. Na de bevrijding werd hij als elektrotechnicus naar theater Concordia gestuurd, waar hij in de coulissen op een onbeheerde contrabas stuitte. Als er orkesten optraden voor geallieerde soldaten, speelde hij stiekem mee. Uiteindelijk werd hij door pianist Jan Canters aangenomen als bassist bij de ‘Sweet Rhythm Club’ en dat was het begin van een lange muzikale carrière.

Anton Brekelmans (1925-2017), jongere broer van Frans Brekelmans. Zijn vader was timmerfabrikant en had een zaak aan de toenmalige Bredasche weg (later Haagweg) in Princenhage. Anton leerde het timmervak op de ambachtsschool aan het Van Coothplein. In 1947 moest hij als dienstplichtig soldaat naar Nederlands-Indië, maar na anderhalf jaar overleed zijn vader en mocht hij naar huis om de timmerfabriek over te nemen.

F.A. (Frans) Brekelmans (1917-2012), oudere broer van Anton Brekelmans, besloot tijdens zijn gymnasiumstudie aan het Onze Lieve Vrouwe Lyceum in Breda dat hij archivaris wilde worden. Hij werkte korte tijd als voluntair bij het Rijksarchief Noord Brabant in Den Bosch en als derde ambtenaar der gemeentesecretarie in Klundert, maar in 1942 nam hij ontslag en ging hij studeren aan de universiteit van Nijmegen. Van 1957 to 1982 was Frans Brekelmans gemeentesecretaris van Breda. In 1965 promoveerde hij met een dissertatie over ‘de Belgische enclaves in Nederland’. Hij schreef talloze historische monografieën en tijdschriftartikelen over Brabant en Breda en was (mede)oprichter van de Geschied- en oudheidkundige kring ‘De Oranjeboom’.

Roos Holslag-Cornelius (1930) werd geboren in Tjiandjur op Java. Tijdens de onafhankelijkheidsoorlog werkte ze als verpleegster in een ziekenhuis op Java, waar ze zowel Indonesische als Nederlandse militairen verzorgde. In 1948 ontmoette ze Ruud Holslag, een Nederlandse dienstplichtig militair, met wie ze later trouwde. In 1950 vertrok het paar naar Nederland. Als vertegenwoordigers van de SAIP (Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, voorheen Indische Pensioenbond) hebben ze zich jarenlang ingezet voor de belangen van de Indische- en Molukse gemeenschap in West Brabant en Zeeland.

Mgr. Hubertus (Huub) Ernst (1917), bakkerszoon, was misdienaar in de Antoniuskerk en voelde zich al vroeg aangetrokken tot het priesterschap. Hij studeerde aan het kleinseminarie Ypelaar en van 1935 tot 1941 aan het grootseminarie in Hoeven. Na zijn priesterwijding in 1941 werkte hij als kapelaan in Leur en later als godsdienstleraar en conrector van internaat ’t Withof. Vanaf 1947 doceerde hij ethiek en moraaltheologie aan het seminarie Bovendonk. Hij keerde terug naar Breda in 1957 nadat hij door Bisschop Baeten was benoemd tot directeur van de Catechisten van de Eucharistische kruistocht aan de Boschstraat. In 1962 werd hij vicaris-generaal onder Mgr. De Vet en na diens overlijden volgde Ernst hem op. Van 1967 tot 1992 was hij bisschop van Breda. Een progressieve bisschop, fel gekant tegen de verspreiding van kernwapens en een voorvechter van de kerkelijke vernieuwing die na het Tweede Vaticaans Concilie werd ingezet.

Renée Louise Fokke (1940) werd geboren in Batavia en vertrok in 1946 met haar moeder naar Amsterdam. Na haar studie aan de gemeentelijke MMS ‘Gerrit van der Veen’, ging ze werken als au pair in Parijs. Later werd ze passage employee bij de KLM, was ze gastvrouw bij de Holland Amerika lijn en medisch secretaresse bij een orthopedisch chirurg. In 1981 verhuisde ze naar Breda waar ze vele jaren werkte bij Holland Casino. Ze was nauw betrokken bij de oprichting van een monument in de tuin van woonzorgcentrum Raffy ter nagedachtenis van de slachtoffers van de Japanse bezetting en de Bersiap.

Cornelis van Geenen (1927) en Suze van Geenen-Beynon (1932) groeiden op in respectievelijk Djokjakarta (Java) en Manokwari (Nieuw Guinea). Ze ontmoetten elkaar op een militair terrein van het Nederlandse leger op Nieuw Guinea. Cornelis, die op Java de militaire kaderschool had gevolgd, was na de politionele acties overgeplaatst naar Hollandia, de hoofdstad van Nieuw Guinea. In 1953 trouwden ze en nadat in 1962 Indonesische troepen het eiland binnenvielen, vertrokken ze naar Nederland. Als beroepsmilitair werd Cornelis gelegerd in Arnhem. In 1974 volgde overplaatsing naar Breda.

Marinus (Rien) van Gurp (1928-2013) woonde aan de kop van de Haagdijk bij de haven. Tijdens de oorlog werkte hij korte tijd bij de machinefabriek Breda (Backer en Rueb), maar na de bevrijding meldde hij zich aan als vrijwilliger bij de Marine. Omdat hij niet de juiste opleiding had, werd hij overgeplaatst naar de Genie en als dienstplichtig soldaat naar Nederlands-Indië gestuurd. Eenmaal terug in Nederland koos hij voor een carrière als beroepsmilitair. Een beslissing, die de rest van zijn leven (in totaal 37 militaire dienstjaren) zou bepalen.

Mia (Miep) Verheem-van Haagen (1934) groeide op in de Baronielaan in een gezin met twaalf kinderen. Tijdens de oorlog zat ze op de Rooms-katholieke meisjesschool bij de zusters Franciscanessen naast de Heilig Hart kerk. Later werkte ze als Lerares Nederlands aan de MBO Princenoord.

Anko Holthuis (1926-2015) werd geboren aan het Wilhelminapark, doorliep de Christelijke ULO in de Nieuwstraat en kwam tijdens de oorlog via zijn vriend Dick Hofman bij de ‘dienst Wim’ terecht, een verzetsgroet onder leiding van de uit Gent afkomstige Gaston van der Meerschen. In 1943 verraadde spion Anton van der Waals de groep en werd Holthuis door de SD (Sicherheitsdienst) gearresteerd en gevangengezet in kamp Haaren. Van de in totaal 51 groepsleden werden er 44, waaronder Holthuis, ter dood veroordeeld. Nadat hij was overgebracht naar Zuchthaus Remscheid in Lüttringhausen (Nordrhein-Westfalen), waar ook Dick Hofman zat, volgde in april 1945 de bevrijding door de Amerikanen, maar voor Hofman kwam dat te laat. Hij was een maand eerder gestorven van de honger. Na de oorlog haalde Holthuis in de avonduren zijn HBS diploma aan het Onze Lieve Vrouwe Lyceum en werkte hij (net als zijn vader) in de verfbranche. Na twintig jaar moest hij stoppen vanwege psychische problemen.

Jan van den Hoven (1931) werd geboren in Bergen op Zoom en verhuisde in 1937 naar de Doelen in Princenhage, waar zijn vader een radiodistributiecentrale beheerde. Na zijn studie aan de HTS St. Virgilius in Breda was hij werkzaam als radiotechnicus en als docent elektrotechniek en decaan op de Albertus Magnus UTS in Breda. Daarnaast volgde hij colleges aan de kunstacademie St. Joost en was hij actief als illustrator en als klarinettist bij Harmonie Amor Musae.

Masje Cornelia Dragt-Kalkman (1936-2012) werd geboren in Soest en vertrok in 1939 met haar ouders naar Bandoeng op Java. Vader werkte bij de luchtvaartafdeling (LA) van het KNIL. In 1953 keerde het gezin weer terug naar Holland. Masje kon haar opleiding aan het lyceum in Bandoeng niet afmaken, maar nadat haar vader op de luchtmachtbasis in Gilze-Rijen was geplaatst, haalde ze haar diploma aan de Rijks HBS in Breda. Later studeerde ze aan de lerarenopleiding in Utrecht en werkte ze als lerares Engels in Gorinchem.

Henk Kemper (1929-2015) werd geboren in Probolinggo op Java. Zijn vader was procuratiehouder bij de Nederlands-Indische handelsbank en werd als lid van de Landstorm tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangen genomen en gemarteld door de Kempeitai, de Japanse inlichtingendienst. Na de arrestatie van vader verhuisde het gezin Kemper naar Surabaya, waar Henk op 15 oktober 1945 ook werd gearresteerd en gemarteld, niet door de Japanners, maar door Indonesische vrijheidsstrijders. Na de Bersiap periode volgde hij een cursus vliegtuigtechniek bij de Marine luchtvaartdienst (MLD) in Surabaya. In 1950 vertrok hij naar Nederland om werktuigbouwkunde te gaan studeren in Dordrecht. Hij specialiseerde zich in verwarmingstechniek en kwam in 1968 in dienst bij het energie en waterbedrijf in Breda. Hij was verantwoordelijk voor het ontwerp van de stadsverwarming in de Haagse Beemden.

Hein Koreman (1921-2012) Beeldhouwer, groeide op in een rooms-katholiek gezin in Lage Zwaluwe. Zijn moeder was boerin en zijn vader griendwerker in de Biesbosch. Na de lagere school ging hij naar de ambachtsschool aan het Van Coothplein. Daar ontdekte hij tijdens de lessen houtbewerking zijn talent voor het snijden van beeldjes. Via pastoor Gommers komt Koreman in aanraking met beeldhouwer Toon van de Wiel die hem uitleent aan steenhouwerij Wezel in Tilburg. Tijdens de oorlog gaat hij studeren aan de Academie voor Beeldende en Bouwende Kunsten van de R.K. leergangen in Tilburg en later aan het Nationaal Hooger Instituut voor Schoone Kunsten te Antwerpen en de Rijksacademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam. Zijn bekendste werk is ‘De Vlucht’ (1954), een monumentaal werk dat gold als ‘terugbetaling’ van zijn studiekosten aan de gemeente Breda.

Piet Lambers (1927) werd geboren in de Ploegstraat. Hij zat op de Sacramentsschool in de Zandberglaan en vervolgens op de Laurentius Mulo aan de Dillenburgstraat. Daarna ging hij werken als jongste bediende bij Centraal Beheer Breda (het latere GAK), destijds de belangrijkste uitvoerende instantie van de ziektewet. In 1945 meldde hij zich als vrijwilliger voor de militaire dienst in Nederlands Indië. Hij kreeg een opleiding als hygiënist aan de Brittish Army School of Hygiene in Mytchett (Surrey) en vertrok in 1947 naar Java. Begin 1950 keerde hij terug naar Nederland en trad hij weer in dienst bij zijn oude werkgever. Hij bekleedde er diverse functies in de binnendienst en werkte later ook als inspecteur buitendienst.

Riet Leenders (1930-2013) groeide op aan de Oude Terheijdenseweg als enig kind in een arbeidersgezin. Vader werkte als losse arbeider aan de haven en op het station, maar was in de crisisjaren ook regelmatig zonder werk. Na de oorlog leed Riet lange tijd aan tuberculose. Nadat ze de ziekte had overwinnen, ging ze werken in een textiel- en fourniturenwinkel op de Ginnekenweg. Later exploiteerde ze tot op hoge leeftijd aan de Valkenierslaan een eigen winkel (Macoral) met kleding, fournituren en breiwol.

Frits Lisapaly (1950) is de zoon van een Molukse KNIL sergeant. Hij kwam vanuit kamp Vught in 1963 naar De Driesprong in Breda, waar hij meer dan twintig jaar voorzitter van de wijkraad was. Hij was een moderne (tweede generatie) belangenbehartiger van de Molukse gemeenschap. Voor integratie, maar met behoud van de eigen identiteit.

Wilhelmus Christianus Henricus (Willem, Wil) Lijnzaad (1924-2013) woonde aan de Marksingel en werkte aan het begin van de oorlog voor justitie als rapporteur voor de kinderrechter. In 1943 kreeg hij een oproep om zich te melden voor de arbeidsinzet. Hij kwam terecht in de Rieter Werke in Petershausen bij Konstanz waar granaten en bomkoppen werden gegoten voor pantserwagens en tanks. Na tussenkomst van de Bredase huisarts Henricus Houben en met hulp van de Duitse Kapelaan Paul Wohlman die hem aan de nodige papieren hielp, wist hij naar Nederland terug te keren. Hij dook onder in Utrecht, hielp daar mee met het drukken van het illegale ‘Oranje-Bulletin’ en vluchtte in september 1944 weer naar Breda. Vanaf 1948 werkte Wil Lijnzaad 36 jaar lang op de advertentie-incasso afdeling van dagblad De Stem.

Yvonne Edith Lemm-Maas (1936) groeide op in een groot huis aan de Ceresstraat 29. Op de benedenverdieping (parterre) had haar vader, Johannes Cornelis Maria (Jan) Maas (1906-1968), zijn textielgroothandel gevestigd. Jan Maas was zeer geïnteresseerd in film. Met een kleine 8 mm-camera maakte hij op dolle dinsdag vanuit een urinoir stiekem opnamen van vluchtende Duitse soldaten en collaborateurs op de Teteringenstraat. Ook legde hij de komst van de Poolse bevrijders vast en is te zien hoe er op de eerste verdieping van zijn huis gefeest werd met geïnterneerde Poolse soldaten. Na de oorlog liet hij in Made de bioscoop ‘Victoria’ bouwen en aan de Academiesingel in Breda exploiteerde hij de bioscoopboot ‘Waterbio’, waarmee hij later naar Duitsland (Frankfurt) vertrok. Zijn dochter Yvonne studeerde kinder- en kraamverpleegkunde. Ze werkte als docente kraamverzorging bij het Wit-Gele kruis in onder andere Huize Wolfslaar en aan het Wilhelminapark en later als sub-hoofd van de kinderafdeling in het Laurentius ziekenhuis.

Johanna Berendina (Joos) Coolsma-Miedendorp (1910-2011) en haar dochter Ineke Lolcama-Coolsma (1936) maakten deel uit van een gezin van zes. Vader Herman Coolsma (1908-1996) was aanvankelijk dominee van de Nederlands Hervormde gemeente in Zundert (hij richtte daar het bloemencorso op) maar werd in 1938 beroepen in Princenhage. Tijdens de oorlog vonden dertig voornamelijk joodse onderduikers voor langere of kortere tijd onderdak in de domineeswoning aan de Dreef nummer 7 en op de zolder van de belendende kosterswoning (nr. 9) van het echtpaar Arie en Celia Oostlander-van de Grift waren nog eens acht joden ondergebracht. Aan het begin van de bezetting vorderden de Duitsers een deel van de domineeswoning als Krankenrevier en in 1943 werden er zes Duitse onderofficieren ingekwartierd, maar de onderduikers werden nooit ontdekt. Aan Herman Coolsma (postuum) en Joos Coolsma-Miedendorp werd in 2007 de Israëlische Yad Vashem onderscheiding toegekend. Ook het echtpaar Oostlander viel postuum die eer ten deel.

Juliana (Meity) Molenaar-Legand (1938) groeide op in Batavia. Tijdens de Japanse bezetting werd haar vader, die kort daarvoor gemobiliseerd was, krijgsgevangen gemaakt en naar Birma gestuurd. Haar moeder, die zwanger was van haar derde kind, ging werken in een restaurant om aan eten te komen. Overgebleven voedsel nam ze mee naar huis totdat ze op een dag werd opgepakt en verkracht door Japanse soldaten. Na de Japanse capitulatie verbleven Meity met haar moeder en zus op een omheind terrein, waar ze door Britse Gurkhas werden beschermd tegen de terreur van de Pemuda’s (Indonesische vrijheidsstrijders). In 1954 vertrok het inmiddels weer herenigde gezin naar Nederland. Vader maakte deel uit van het burgerpersoneel op de vliegbasis Gilze-Rijen, maar had te kampen met een post traumatische stoornis als gevolg van zijn ervaringen in het Jappenkamp. Meity werkte achtereenvolgens bij De Faam, V&D en telefoonfabriek Ericsson in Gilze-Rijen. Ze had een uitgebreide Indische vriendenkring en organiseerde fuifjes met Indische bandjes.

Delsi Peeters-Murk (1934) woonde op de Ginnekenweg boven de kapperszaak van haar ouders. Na de oorlog studeerde ze aan de MMS Mencia de Mendoza en haalde ze haar onderwijsakte. Ze werkte als onderwijzeres in de Klokkenberg, waar ze les gaf aan tuberculosepatiënten.

Zr. Hadriana (Jacoba) Nagtzaam (1927) groeide op in Langeweg in een gezin met veertien kinderen. Tijdens de bezetting ging ze als dienstmeisje werken bij de zusters Franciscanessen in het bejaardenhuis St. Lucia in Princenhage. Het gebouw werd op 30 oktober 1944 door de Duitsers in brand geschoten. Toen ze achttien was, meldde ze zich aan bij het klooster van de congregatie der Franciscanessen Penitenten-Recollectinen ‘Alles voor Allen’ aan de Haagdijk. In 1952 deed ze haar eeuwige professie. Ze werkte onder andere in Halsteren, waar ze in 1953 de watersnood meemaakte, in het St. Ignatius ziekenhuis in Breda en in het St. Antonius gesticht te Etten-Leur.

Piotr Jan Nowinski (1923-2015) en Ciska Willigers (1923) trouwden in 1946. Jan werd geboren in Nowe Miasto in Polen. Toen in september 1939 de oorlog uitbrak, zat hij op het Gymnasium. Als 16 jarige student meldde hij zich bij het Poolse leger. Op de vlucht voor de oprukkende Duitsers belandde hij via Hongarije in het Joegoslavische Split en vandaar vertrok hij met een Grieks schip naar Marseille. Van 1940 tot 1943 was Jan gelegerd in Villard-de-lans bij Grenoble, waar hij zijn Gymnasiumopleiding afmaakte. Nadat Duitse troepen het gebied bezetten, vluchtte hij opnieuw. Via Spanje, Portugal en Gibraltar bereikte hij Engeland, waar hij zich als dienstplichtig militair aansloot bij de eerst Poolse pantserdivisie. Jan nam deel aan de opmars door Frankrijk en België en reed in oktober 1944 op zijn Bren Carrier door Ginneken en Breda toen hij in de Eindstraat Ciska Willigers ontmoette. Na zijn demobilisatie in 1947 vestigde hij zich in Breda, maar na de herkenning van de nieuwe Poolse communistische regering door de staat Nederland, werd hij stateloos verklaard en moesten zowel Jan als Ciska zich meldden bij de vreemdelingendienst. Pas na jaren kreeg Jan de Nederlandse nationaliteit. Tot die tijd werd hij regelmatig gecontroleerd. Als fabrieksarbeider bij onder andere de AKU en de Enka onderhield hij zijn gezin. Jan Nowinsky is oprichter van de Poolse zaterdagschool in Breda en was jarenlang lokaal en landelijk bestuurder van de Poolse Katholieke Vereniging.

Corry Oomens (1924-2017) groeide op aan de Haagdijk in een gezin met negen kinderen. Ze ging naar de rooms-katholieke meisjesschool bij de zusters Franciscanessen van Roosendaal op de Nieuwstraat. Vanaf haar dertiende hielp ze mee in de bakkerszaak van haar vader. Tijdens de bezetting was ze getuige van het wegvoeren van de joden op de Haagdijk. Na de oorlog bleef ze werken in de bakkerij.

Ad van Oosterhout (1928) woonde met zijn ouders, broer en zus in Terheijden. Het gezin verhuisde begin 1940 naar de Achillesstraat in Breda. Vader was uitvoerder bij de Bredase bouwonderneming Albouw en handelde in onroerend goed. Ad ging naar de Sacramentsschool en later naar de ambachtsschool aan het Van Coothplein. In 1947 moest hij als dienstplichtig soldaat naar Nederlands Indië. Na zijn terugkeer in 1950 volgde hij het voorbeeld van zijn vader en ging werken in de bouw. Eerst bij Albouw (waar hij samen met zijn vader het nieuwe postkantoor op de hoek van de Keizerstraat en de Oude Vest bouwde), later als uitvoerder en bedrijfsleider bij de firma’s Zeebregts en Wilma en tenslotte als bouwkundig opzichter bij het Bouwfonds Nederlandse Gemeenten.

Tom Peeters (1930) groeide op aan de Zandbergweg in een gezin met zes kinderen. Hij zat op de Heilig Hartschool in de minister Nelissenstraat, waar zijn vader werkte als onderwijzer. Vanaf 1942 ging hij naar de Mulo in de Laurentiusschool aan de Dillenburgstraat en na de oorlog naar de kweekschool aan het dr. Jan Ingenhouszplein. In Breda en Oosterhout werkte hij als onderwijzer in het basisonderwijs, maar na het behalen van de lagere- en middelbare akten Frans en Duits werd hij docent Duits. Eerst aan de St. Antoine Mulo in de St. Janstraat en later aan de middelbare school voor de detailhandel St. Olof aan de Kloosterlaan en de Mgr. de Vet straat.

Alfons Raichert (1925) moest in februari 1940 als 15 jarige jongen gaan werken bij een boer in Duitsland. In juni 1941 kreeg hij een telegram met de mededeling dat zijn moeder overleden was aan kanker. Hij ontsnapte en reisde per trein terug naar huis, maar na de begrafenis werd hij gearresteerd door de Duitsers en samen met andere Polen tewerkgesteld aan de Atlantikwall in Normandië. Tijdens de geallieerde invasie werden de Poolse bunkerbouwers geronseld door Britse officieren. Na een training in Schotland nam Alfons, als lid van een Poolse infanterie eenheid, deel aan de omsingeling van het Duitse leger in Falaise. Bij de bevrijding van Breda sneuvelden zijn vriend en twee andere Poolse soldaten op de Bavelselaan. Op de Ginnekenweg bij de winkel van Jaak van Wijck leerde hij Annie Deleij kennen met wie hij later trouwde. Na de oorlog werkte hij bij de Etna en bij weegschaal fabriek Molenschot en later als productiechef bij handelsfirma Pieter Stapel in Oosterhout.

Piet de Ridder (1932) werd geboren in Wagenberg en verhuisde toen hij 4 jaar was naar de Ploegstraat in het Ginneken. Vader was werkmeester (docent riet- en vlechtwerk) in de Koepelgevangenis en moeder stond thuis in de winkel waar zelfgefabriceerde rieten meubelen en gebruiksvoorwerpen werden verkocht. Tijdens de oorlog ging Piet naar de Sacramentsschool en later naar de ambachtsschool aan het Van Coothplein. Zijn muzikale carrière begon in 1941 toen hij voor zijn verjaardag een accordeon kreeg. Samen met zijn broers vormde hij een eerste orkestje en in 1944 trad hij al op voor de Poolse bevrijders met het Poolse Volkslied. In de jaren daarna speelde hij als pianist en accordeonist bij onder andere De Notenkrakers, het orkest van Dorus Rijkers en conferencier Bouk Martens. Daarnaast werkte hij als timmerman en uitvoerder bij bouwbedrijf Winters (voorheen Jos. A. van Dijk) in Breda.

Pieter van Rumund (1927) groeide op in een gezin met tien kinderen in de Prinses Julianastraat (tegenwoordig Dillenburgstraat) in het Ginneken. Na de lagere school (Laurentiusschool) ging hij naar de St. Joost Mulo op de Ginnekenstraat. Vader had een slagerij en worstmakerij aan huis met zes knechts. Nadat de zaak tijdens een bombardement door de Duitse Luftwaffe op 10 mei 1940 was vernield, werd het bedrijf voortgezet in een nabij gelegen leegstaand pand totdat in 1942 de nieuwbouw gereed was. Het Ginneken was toen inmiddels bij Breda gevoegd. Zelf slachten werd verboden. Dat mocht alleen nog in het slachthuis in de van Rijckevorselstaat in de Belcrum. Na de oorlog zette de oudste zoon de zaak voort. Pieter werd vertegenwoordiger in de meubelbranche. Hij werkte met zijn agentuur voor verschillende meubelbedrijven (onder andere Coja, Rigi en meubelfabriek Gelderland) in Nederland, België en Duitsland.

Johan David (Joop) de Ruijter (1929-2010) werd geboren in de Molenstraat (tegenwoordig Kerkhofweg) in het Ginneken. Vader was stukadoor, maar had in de crisisjaren geen werk en moest daarom in het kader van de werkverschaffing aan de slag als wegenbouwer in het Ulvenhoutse bos. Om aan eten te komen ging Joop met zijn broer op de velden aan de Overakkerstraat stiekem aardappels steken. ’s Winters werd er hout gesprokkeld in het Mastbos. Na de oorlog ging Joop naar de zeevaartschool (De Ruyterschool) in Vlissingen. Als boordwerktuigkundige en machinist op de grote vaart reisde hij de wereld rond. Later voer hij als officier koopvaardij bij rederij Westera uit Zwolle hoofdzakelijk op de IJssel. Nadat het bedrijf in 1969 onder Panamese vlag ging varen, trad hij in dienst bij koeltechnisch installatie bedrijf Fri-Jado in Prinsenbeek. Daarnaast was Joop actief in het wijkwerk. Hij hielp werkelozen en WAO-ers en gaf ondersteuning bij het aanvragen van uitkeringen en subsidies. Hij was negentien jaar lang voorzitter van het Overleg Breda-Noord (OBN) en ook in die hoedanigheid hield hij zich vooral bezig met de bestrijding van armoede en werkloosheid.

Gijsbertus Gerardus Marie (Gijs) van der Sande (1923-2014) werd geboren in de Ginnekenweg als jongste van een gezin van vijf kinderen. Vader Gerardus Hendrikus was aannemer en verhuisde in 1932 naar de Wilhelminastraat in het Ginneken en in 1939 naar de Laan van Rasseghem 7, waar achter het huis een groot terrein lag met loodsen voor de opslag van bouwmaterialen. Tijdens de oorlog verstopte hij daar het archief van het Onze Lieve Vrouwelyceum (OLV) om te voorkomen dat joodse leerlingen konden worden opgespoord. Een van de docenten op het OLV was drs. Anton van der Poel. Hij was de gewestelijk commandant van de Ordedienst (OD), een landelijke verzetsorganisatie opgericht door oud militairen. Vader Gerardus van der Sande was fel anti-Duits en voerde opdrachten van Van der Poel uit. Ook Gijs, zijn broers en zijn zus Jel (zie hierna) waren nauw betrokken bij het verzet. Broer Harry (23 jaar oud) was een van de bewakers van de radiopost op de Vloeiweide en werd tijdens de overval op de vlucht doodgeschoten. Gijs hielp geallieerde piloten te verbergen en weg te brengen, bracht matrijzen van de verzetskrant Ons Volk op de fiets naar een drukkerij in Oosterhout, deed mee aan de verspreiding en nam deel aan een overval op het gemeentehuis in Etten-Leur om aan bonkaarten te komen. Uiteindelijk werd hij gearresteerd en voor verhoor naar de KMA gebracht waar hij door de Gestapo in elkaar werd geslagen. Na de oorlog verhuisde hij naar Gorinchem waar hij werkte als voorman in een staalkabelfabriek totdat hij werd afgekeurd wegens rugletsel.

Gabriëlla Josepha Maria (Jel) Goossens-van der Sande (1916-2012) en Frans de Kort (1939). Jel was de oudere zus van Gijs van der Sande (zie hiervoor). Ze zat op het St. Gertrudislyceum in Roosendaal en in 1938 trouwde ze met sergeant luitenant Piet de Kort. Piet de Kort was een oud leerling van het Onze Lieve Vrouwelyceum (OLV) en samen met docent Anton van der Poel (zie hiervoor) initiatiefnemer van de Bredase afdeling van de Ordedienst (OD). Via haar man kwam Jel bij het verzet. Ze voerde verkenningen uit in de omgeving van Breda en fungeerde samen met H. (Lenie) Gerritsen als koerierster. Ze bezorgde brieven en wapens bij verzetsmensen in en rond Breda. Nadat de eerste Bredase OD-groep door de Duitsers werd ontdekt, moest Piet de Kort onderduiken en werd zijn functie overgenomen door kunstenaar Paul Windhausen, die op het OLV tekenleraar was. Windhausen was door Van der Poel aangewezen als leider van de radiopost op de Vloeiweide bij Rijsbergen. Jel en Paul Windhausen werden verliefd en werkte samen in het verzet totdat de radiopost op 4 oktober 1944 werd overvallen door de Duitsers. Enkele dagen later moest Jel de slachtoffers, waaronder behalve Paul Windhausen ook haar broer Harry van der Sande, identificeren in Rijsbergen. Na de oorlog volgde Jel de avond-HBS op het OLV en de opleiding heilgymnastiek en massage in Rotterdam. Tot op zeer hoge leeftijd had ze een eigen praktijk fysiotherapie aan huis.

Haar zoon Frans de Kort mocht als vijf jarig jongetje mee naar de Vloeiweide achterop de fiets bij Paul Windhausen, die hem de radio-installatie en de schuilkelder liet zien. Frans zat op de Heilig Hart school in de Minister Nelissenstraat en later op de St. Antoine Mulo in de St. Janstraat. Na de militaire sportschool in Hooghalen volgde hij in Amsterdam een opleiding tot tennisleraar. Hij was assistent bondscoach van het nationale jeugdteam bij de KNLTB, won zelf diverse grote toernooien en gaf trainingen in Breda en op zijn eigen sportschool in Bosschenhoofd en Made.

Bertha Maria Derks-Smolders (1923) groeide op in de Brugstraat 8 (tegenwoordig Duivelsbruglaan) in het Ginneken. Vader had een kleermakerij aan huis en Bertha zat op de St. Laurentius meisjesschool aan de Ginnekenweg. Op haar achttiende trouwde ze met de negentien jarige bakkerszoon J.B. (Joop) Derks en verhuisde ze naar de Valkenierslaan. Toen geallieerde bommenwerpers in de nacht van 28 op 29 oktober 1944 Duitse stellingen probeerden te bombardeerden, werd haar ouderlijk huis vernield. Moeder moest naar het ziekenhuis en vader werd door Bertha tijdelijk in huis genomen. Na de oorlog bleef zij werken in de bakkerij op de hoek van de Valkenierslaan en de Groot Ypelaardreef. In totaal ruim 40 jaar.

Hans Peter Struch (1934) werd geboren in Aken. Zijn vader Erich Struch was fabrikant van machines voor de textielindustrie. Hij vluchtte in 1938 ten tijde van de Kristallnacht met zijn vrouw Sylvia Struch-Loeser en zijn drie kinderen naar Nederland. Het joodse gezin vestigde zich in Breda in de Willem III laan. Hans Peter was toen vier jaar oud en ging naar de joodse school naast de synagoge in de Schoolstraat. Nadat zijn vader in 1942 door Nederlandse politieagenten was gearresteerd, dook hij samen met zijn oudere broer en zus onder in Oegstgeest. Korte tijd later werd ook zijn moeder gearresteerd. Ze was verraden door de Bredanaar Kees Fens, een buurjongen die twee deuren verderop in de Willen III laan woonde. Vader en moeder werden vermoord in respectievelijk Mauthausen en Sobibor. Hans Peter bleef tot zijn achttiende bij zijn ‘onderduikfamilie’ in Oegstgeest wonen. Daarna ging hij natuurkunde studeren aan de Technische Hogeschool in Delft. Later werkte hij als natuurkundig ingenieur bij het Reactor Centrum Nederland te Petten en specialiseerde hij zich in de computertechnologie.

Johannes Jacobus Josephus (Jan) Sweere (1927-2014) werd geboren in Standdaardbuiten. Als boerenzoon ging hij naar de kostschool St. Marie van de broeders van Huijbergen en in september 1940 vervolgde hij zijn studie aan het Klein Seminarie Ypelaar in Breda. Hij had net de vierde klas van het Gymnasium achter de rug toen Duitse soldaten hem op 22 augustus 1944 in zijn geboortedorp Standdaardbuiten gevangen namen vanwege ‘opruiing’. Jan werd overgebracht naar het bureau van de Feldgendarmerie aan de Willemstraat in Breda en vervolgens zat hij twee weken vast op de afdeling politieke gevangenen in het huis van bewaring aan de Kloosterlaan. Op Dolle Dinsdag 5 september 1944 werden Jan en zijn medegevangenen bevrijd door de knokploeg van Cor van der Hooft onder leiding van Bram Puijenbroek uit Bergen op Zoom. Na de oorlog rondde Jan zijn studie af. In 1952 werd hij in Hoeven tot priester gewijd. Hij werkte als kapelaan in Aardenburg en Bergen op Zoom en was in 1965 en 1966 de laatste pastoor van de Maria Hemelvaartkerk aan de Ginnekenstraat in Breda. Daarna is hij legeraalmoezenier geworden, eerst in Oirschot en vervolgens ruim achttien jaar bij het Korps Commandotroepen in Roosendaal. Vanaf 1974 was hij ook vaste voorganger van de toeristenkerk in Dishoek. In 2011 werd Jan Sweere benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau voor zijn buitengewone inzet als aalmoezenier en zijn jarenlange onbetaalde inspanning voor de kerkelijke gemeenschap.

Leonardus Joanna (Leo) Touw (1926-2014) was de jongste van een gezin met negen kinderen. Hij groeide op aan de Haagweg in Princenhage en zat op de ambachtsschool aan het Van Coothplein. Zijn vader was timmerman en had een eigen bedrijf aan huis. Zijn dertien jaar oudere broer Henk werkte mee in de zaak, maar was daarnaast ook zendamateur. Tijdens de oorlog moest hij op verschillende locaties radio’s afregelen in opdracht van de Ordedienst (OD), een landelijke verzetsorganisatie opgericht door oud militairen. Een van de klanten van het timmerbedrijf was Alice Bouman-Vlekke, eigenaresse van het landgoed Vloeiweide bij Rijsbergen. Via haar kwam Henk in contact met boswachter Maria Justinus Ernest Neefs die bij haar in dienst was. Omdat hij gezocht werd door de Duitsers besloot hij in maart 1944 onder te duiken bij de familie Neefs en zijn radiozender over te brengen naar de boswachterswoning. In opdracht van de drs. Anton van de Poel, de gewestelijk commandant van de OD, werd de radiopost op de Vloeiweide onder leiding van de commandant van de radiogroep Paul Windhausen vanaf Dolle Dinsdag 5 september 1944 operationeel. Leo had er samen met zijn broer Henk al eerder een schuilkelder gebouwd en vanaf het moment dat de post bemand was, fungeerde hij als fourageur. Hij haalde voedsel bij winkeliers op de Haagdijk en bij de Hero en bracht dat met een trekwagen te voet naar de Vloeiweide. Zijn broer Henk werd tijdens de overval van de radiopost op 4 oktober 1944 vermoord door de Duitsers. Leo nam na de oorlog het bedrijf van zijn vader over. Later volgde hij de Lerarenopleiding in Tilburg. Van 1970 tot 1984 was hij werkzaam als docent bouwtechniek op de LTS in Oosterhout (NB).

Charles F. Turpijn (1938) werd geboren in Palembang op Sumatra, maar groeide op in Surabaya op Java. Zijn vader was belastingaccountant en ging al in de jaren twintig naar Breda om carnaval te vieren met Indische schoolvrienden die op de KMA studeerden. Moeder was onderwijzeres en zowel thuis als op school stond de opvoeding in het teken van de Nederlandse cultuur. Tijdens de Japanse bezetting werd vader geïnterneerd in een voormalige KNIL kazerne in Tjimahi bij Bandung. Na de capitulatie keerde hij terug, maar tijdens de Bersiap periode werd hij opnieuw gearresteerd, dit keer door Indonesische opstandelingen. Charles vluchtte met zijn moeder en broer naar een rustige buitenwijk, maar uiteindelijk werden ze toch opgepakt en acht maanden lang gevangen gehouden in de binnenlanden van Java. Halverwege 1946 volgde de bevrijding door Engelse legertroepen. Een jaar later vertrok het gezin naar Nederland. Ze vestigden zich in Bussum. Na zijn middelbare school volgde Charles de officiersopleiding aan de KMA en vanaf 1973 gaf hij er ook les. Hij was coredacteur van het in 1977 verschenen handboek voor de officiersopleiding ‘Welzijn en Krijgsmacht’.

Adriana Johanna (zus) Brens-Vriens (1916-2017) had drie zussen en negen oudere broers en werd altijd ‘zus’ genoemd. Leendert en Anton hadden een garagebedrijf en vader was aannemer. In 1899 was hij vanuit Dinteloord naar Breda gekomen voor de bouw van het Diaconessen ziekenhuis. Hij was kerkvoogd van de Nederlands Hervormde gemeente en ook Adriana was als ouderling actief in de diaconie van de Grote Kerk. Ze zat op de Christelijke school in de Nieuwstraat, volgde de MULO en de Kweekschool en was vanaf haar achttiende tevens privéchauffeur van haar vader. Ze studeerde vaak in de auto als ze op hem moest wachten. In 1942 trouwde ze met onderwijzer Arie Brens. Ze gingen wonen in de Hortensiastraat. Toen het ouderlijk huis van Adriana aan de Seeligsingel door de Duitsers gevorderd werd, namen ze vader en moeder in huis. Ook verleenden ze onderdak aan een joodse man en waren ze getuige van de arrestatie van een groep joden bij de familie Hofman aan de Wethouder Romboutsstraat. Een aantal broers van Adriana, waaronder Piet en Bram Vriens, zaten in het verzet.

Maria (Rietje) Koole-Walda (1926) groeide op in een gezin met negen kinderen aan de Grintweg (tegenwoordig Fellenoordstraat). Ze zat op de Rooms-katholieke school voor meisjes St. Franciscus aan de Leuvenaarstraat. Vader was militair en werd in 1939 gemobiliseerd, waardoor moeder tijdens de evacuatie van Breda op 12 mei 1940 alleen met haar kinderen op de vlucht moest. Ze kwamen terecht in Brugge en keerden pas na weken terug. Later moest vader, vanwege verzetsactiviteiten (pilotenhulp) enkele maanden onderduiken in Rijsbergen. Na de oorlog werkte Maria als maatschappelijk werkster in Breda.

Matua Mattheus Wattimena (1920), Johanna Wattimena-Hetharia (1927) en zoon J.L.D. (Darcos) Wattimena (1954). Matua Wattimena was een Molukse korporaal bij het KNIL. In 1942 werd hij op Java gevangen genomen door de Japanners en als dwangarbeider gedeporteerd naar de Tanimbar eilanden ten zuidwesten van de Molukken. Na de Japanse capitulatie vertrok hij naar Ambon en meldde zich opnieuw aan bij het KNIL. Hij werd overgeplaatst naar Makassar en ontmoette daar Johanna. Op 5 mei en 15 augustus 1950 nam hij deel aan de gevechten tegen het Indonesisch leger (TNI) op Makassar. Na de tweede confrontatie, waarbij ook Islamitische guerrillastrijders meevochten, werd hij overgebracht naar Samarang op Java. Van daar vertrok hij met zijn vrouw en kinderen naar Nederland. Volgens de dienstorder meldde Matua zich in Amersfoort waar hij zijn uniform en insignes moest afleggen. Er was gezegd dat het verblijf tijdelijk zou zijn, maar uiteindelijk verbleven Matua en Johanna met hun kinderen bijna zestien jaar lang in opvangkampen vooraleer ze konden verhuizen naar de wijk Driesprong in Breda. Mattua werkte bij de HKI en de ENKA. Darcos is massaspectometrist op het laboratorium van het Erasmus MC in Rotterdam.

Nico van de Wijngaard (1926) woonde met zijn ouders, twee broers en drie zussen in de Beeksche straat in Beek (tegenwoordig Prinsenbeek). Vader was smid en had zijn bedrijf aan huis. Nico werkte al van jongs af aan mee in de smederij en na de oorlog nam hij de zaak van zijn vader over. Naast de smederij en het constructiebedrijf exploiteerde hij samen met zijn vrouw een winkel in kachels en sanitair. Ook was hij 36 jaar lang lid van de vrijwillige brandweer in Prinsenbeek. Daarmee zette hij een jarenlange familietraditie voort. Al sinds 1792 waren de Van de Wijngaards betrokken bij de Beekse brandweer. Ook Nico’s zoon, inmiddels de achtste generatie, is bij de brandweer.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties